|
|
|
|
ALGEMENE INFORMATIE OVER CONGO |
|
Lokale Tijd: |
|
|
Ligging: |
In het
hart van Afrika. Ons werkgebied is de provincie Katanga
in het zuidoosten van het land en de provincie Kassaï in
het midden van het land. |
|
Klimaat: |
Tropisch
landklimaat met gemiddelde temperaturen tussen de 20 en
30 graden |
|
Bevolking: |
Voornamelijk Bantoestammen |
|
Godsdienst: |
Ongeveer
de helft van de bevolking is Rooms-Katholiek, een kwart
is protestant. Ongeveer 10-20% van de bevolking hangt
een animistische (inheemse) godsdienst aan. |
|
Bestaan: |
M.n.
landbouw. Er is erg veel werkloosheid in Congo. |
|
Munt: |
De
Congolese Franc. De waarde van de franc is erg aan
inflatie onderhevig. In april 2002 was 1 Congolese Franc
0,3 eurocent waard. |
|
| |
|
|
Bezoek na de oorlog
Verdrietig, verlegen, verwonderd
door: ds. Jan-Matthijs van Leeuwen.
Het is één grote, groene zee onder me. Soms van
grasvlakten met struiken, soms ook bos. Af en toe zie ik een dorpje. Dan
opeens: de rivier! Als een enorme zilveren slang kronkelt de Congo zich door
het landschap van Katanga. Ongelooflijk dat in dit landschap jarenlang
bittere oorlog is gevoerd, die duizenden mensen het leven heeft gekost.

Enthousiaste dorpelingen, voor
het kerkje dat door de vluchtelingen is gebouwd.
Ik ben op weg naar
Kongolo, een stad in het noorden van de provincie Katanga, bijna in de Kivu,
de provincie waar zich de meest gruwelijke dingen afspelen, nu al jaren
lang. Ook Katanga heeft daaronder zwaar geleden. Jarenlang is het binnenland
van de buitenwereld afgesloten geweest. Treinen reden niet meer,
vliegverkeer was stilgelegd en over de beroerde wegen verplaatsten zich
alleen maar soldaten. Sinds 2003 is de oorlog officieel afgelopen. De
Rwandese legers hebben zich terug getrokken. Maar de rebellengroepering die
nu deel uit maakt van de regering, beschouwt het veroverde terrein nog
steeds als het hunne. Losgeslagen, muitende militairen, of zelfbenoemde
strijders maakten ook na het bestand de regio onveilig.
Voorgangers
In dit gebied zijn veel gereformeerde kerken. Hoeveel precies is moeilijk te
zeggen. De meeste zijn eind jaren tachtig ontstaan uit
evangelisatieactiviteiten van ds. Illunga. Maar enkele jaren daarna brak de
oorlog uit, en was elk contact onmogelijk.
De kerken hebben dringend behoefte aan voorgangers. Op dit moment is er nog
geen één predikant in het gebied dat enkele malen groter is dan Nederland.
In 1996 zijn twee mannen begonnen aan de theologische studie, maar die is
door de oorlog onderbroken. In 2002 lukte het weer – door toelatingsexamens
in een vluchtelingenkamp – om vier nieuwe studenten te werven. En nu is het
sein ’veilig’ gegeven. Ik kan de studenten in hun eigen regio bezoeken. De
broeders weten nog het laatste bezoek van een zendeling: in 1995.
Moed
 |
|
Ds. Jan-Matthijs van Leeuwen: “Op dit aftandse ’bakkie’ hebben
we ons in het binnenland verplaatst. Ds.Illunga en Muhala zitten
(uiteraard) voorin in de cabine. Ik in het bakkie. |
We zijn met zijn
drieën op pad: ds. Illunga, één van de pioniers, en afkomstig uit de regio,
broeder Muhala, verantwoordelijk voor kerkbouw en ook uit de streek, en ik.
Het begeleiden van de studenten is dan ook niet het enige doel van de reis.
Allereerst is het bezoek bedoeld om de zusters en broeders te bemoedigen.
Ook willen we weten hoe het er met de kerken voorstaat. Zijn de gemeenten er
nog? Hoe hebben de mensen geleden onder de oorlog? Welke schade is er
aangericht? Hoe is het bijvoorbeeld met de kerkgebouwen?
We hebben ontmoetingen met afgevaardigden uit bijna heel de regio. Van
heinde en verre zijn ze gekomen, soms achter op een zeldzame vrachtauto, op
de fiets, of te voet. Voor hen is dit bezoek een teken van hoop. “We waren
door de hele wereld vergeten, maar de broederschap laat ons niet in de
steek!”.
Verdrietig
Verdrietig, verlegen, verwonderd, dat zijn de gevoelens die bij me opkomen
bij het horen van de verhalen. Verdrietig, want wat hebben de mensen
geleden. Vier verschillende militaire groeperingen hebben er huisgehouden.
Het Rwandese leger heeft jarenlang de meeste dorpen en steden bezet. Ze
hebben zich meester gemaakt van bijna alles wat er te vinden was: auto’s,
fietsen, voedsel maar bijvoorbeeld ook de metalen dakplaten van de huizen.
Van sommige huizen zijn de kozijnen ingepikt als brandhout. De mensen werden
verplicht om voor de soldaten te werken en hun van voedsel te voorzien.
Naast het Rwandese leger trokken de Congolese rebellen op. Deze traden vaak
bruter tegen de mensen op dan de vreemdelingen. Het regeringsleger, dat de
bevolking van de indringers moest bevrijden, was vaak een ongeordende troep,
dat plunderend en verkrachtend rondtrok. Daarnaast is er nog de Mayi-mayi,
in naam een volksbeweging die de vijand wil verdrijven, omdat het officiële
leger het erbij laat zitten. In werkelijkheid zijn de Mayi-mayi vaak niet
meer dan rovers, die in het machtsvacuüm de ene na de andere wreedheid
begaan. Vier groeperingen die zich als bevrijder zien, vier plagen voor de
bevolking.
Verlegen
Op de vraag wat DVN en Spakenburg voor de broeders kunnen doen, komen veel
antwoorden. De nood is groot, dus de verzoeken ook. “Bouw scholen,” zegt de
één, “onze kinderen zijn anders een verloren generatie”. “Begin
landbouwprojecten, dan kunnen we er zelf weer bovenop komen”. “Klinieken
hebben we nodig”. Maar er is ook geestelijke nood. Er zijn nauwelijks
bijbels, laat staan liedbundels. Belangrijker is nog, dat in hun
vijftienjarig bestaan in de meeste kerken nog nooit de sacramenten zijn
bediend. “De mensen lopen weg. Ze zeggen: wat is dat nou voor kerk, waar
niet eens wordt gedoopt of avondmaal gevierd”.
Als je de nood ziet, weet je niet wat je moet zeggen. Veel beloven kan ik
niet. Ik ken de beperkingen. We zijn maar een kleine organisatie, op een
grote afstand en het transport is moeilijk en duur.
Verwonderd
Toch, door alle ellende heen, vang ik ook een glimp op van Gods werk. Deze
mensen, die door iedereen waren verlaten, bleven doorgaan met geloven, met
bidden, met kerkdiensten houden, met leven voor God. Ergens in de brousse
stoppen we in een klein dorpje. Student Pierre wijst me een eenvoudig kerkje
aan. “Vijf jaar geleden was hier niets” zegt hij. “Dus toen we hierheen
vluchtten, hebben we niet alleen akkers beplant, maar ook een kerkje
gebouwd. We moesten toch blijven bidden? De inwoners van het dorp kwamen ook
naar de diensten. Toen wij weer naar huis konden, was er een gemeente
ontstaan!”.
Uit: Tot aan de einden der aarde Februari 2005 |