CONGO ::  Informatie  |  Medewerkers | Lokale Partners  |  Projecten  Zendende Instantie | Wereldkaart  | Home     

 

Artikelen Archief:

::

Investeren in Afrika

::

Congo-werk beëindigd

::

Ds. Mbayo

::

Dreaming Isabelle

::

Mama Georgette slijt honderden bijbels

::

"Mensen, wat een werk!"

::

Goede toekomst geen utopie voor klas drie!

::

Geen bevrijdingsceremonie, maar de bijbel open en bidden!

::

Fam. van Leeuwen repatrieert

::

Berea-studenten geslaagd

::

Naar de bios in Kitanda

 


Meer artikelen...

ALGEMENE INFORMATIE OVER CONGO

Lokale Tijd:

Ligging:

In het hart van Afrika. Ons werkgebied is de provincie Katanga in het zuidoosten van het land en de provincie Kassaï in het midden van het land.

Klimaat:

Tropisch landklimaat met gemiddelde temperaturen tussen de 20 en 30 graden

Bevolking:

Voornamelijk Bantoestammen

Godsdienst:

Ongeveer de helft van de bevolking is Rooms-Katholiek, een kwart is protestant. Ongeveer 10-20% van de bevolking hangt een animistische (inheemse) godsdienst aan.

Bestaan:

M.n. landbouw. Er is erg veel werkloosheid in Congo.

Munt:

De Congolese Franc. De waarde van de franc is erg aan inflatie onderhevig. In april 2002 was 1 Congolese Franc 0,3 eurocent waard.
 

 


Bezoek na de oorlog

Verdrietig, verlegen, verwonderd

door: ds. Jan-Matthijs van Leeuwen.

Het is één grote, groene zee onder me. Soms van grasvlakten met struiken, soms ook bos. Af en toe zie ik een dorpje. Dan opeens: de rivier! Als een enorme zilveren slang kronkelt de Congo zich door het landschap van Katanga. Ongelooflijk dat in dit landschap jarenlang bittere oorlog is gevoerd, die duizenden mensen het leven heeft gekost.


Enthousiaste dorpelingen, voor het kerkje dat door de vluchtelingen is gebouwd.

Ik ben op weg naar Kongolo, een stad in het noorden van de provincie Katanga, bijna in de Kivu, de provincie waar zich de meest gruwelijke dingen afspelen, nu al jaren lang. Ook Katanga heeft daaronder zwaar geleden. Jarenlang is het binnenland van de buitenwereld afgesloten geweest. Treinen reden niet meer, vliegverkeer was stilgelegd en over de beroerde wegen verplaatsten zich alleen maar soldaten. Sinds 2003 is de oorlog officieel afgelopen. De Rwandese legers hebben zich terug getrokken. Maar de rebellengroepering die nu deel uit maakt van de regering, beschouwt het veroverde terrein nog steeds als het hunne. Losgeslagen, muitende militairen, of zelfbenoemde strijders maakten ook na het bestand de regio onveilig.
Voorgangers
In dit gebied zijn veel gereformeerde kerken. Hoeveel precies is moeilijk te zeggen. De meeste zijn eind jaren tachtig ontstaan uit evangelisatieactiviteiten van ds. Illunga. Maar enkele jaren daarna brak de oorlog uit, en was elk contact onmogelijk.
De kerken hebben dringend behoefte aan voorgangers. Op dit moment is er nog geen één predikant in het gebied dat enkele malen groter is dan Nederland. In 1996 zijn twee mannen begonnen aan de theologische studie, maar die is door de oorlog onderbroken. In 2002 lukte het weer – door toelatingsexamens in een vluchtelingenkamp – om vier nieuwe studenten te werven. En nu is het sein ’veilig’ gegeven. Ik kan de studenten in hun eigen regio bezoeken. De broeders weten nog het laatste bezoek van een zendeling: in 1995.
Moed
 

Ds. Jan-Matthijs van Leeuwen: “Op dit aftandse ’bakkie’ hebben we ons in het binnenland verplaatst. Ds.Illunga en Muhala zitten (uiteraard) voorin in de cabine. Ik in het bakkie.

We zijn met zijn drieën op pad: ds. Illunga, één van de pioniers, en afkomstig uit de regio, broeder Muhala, verantwoordelijk voor kerkbouw en ook uit de streek, en ik. Het begeleiden van de studenten is dan ook niet het enige doel van de reis. Allereerst is het bezoek bedoeld om de zusters en broeders te bemoedigen. Ook willen we weten hoe het er met de kerken voorstaat. Zijn de gemeenten er nog? Hoe hebben de mensen geleden onder de oorlog? Welke schade is er aangericht? Hoe is het bijvoorbeeld met de kerkgebouwen?
We hebben ontmoetingen met afgevaardigden uit bijna heel de regio. Van heinde en verre zijn ze gekomen, soms achter op een zeldzame vrachtauto, op de fiets, of te voet. Voor hen is dit bezoek een teken van hoop. “We waren door de hele wereld vergeten, maar de broederschap laat ons niet in de steek!”.
Verdrietig
Verdrietig, verlegen, verwonderd, dat zijn de gevoelens die bij me opkomen bij het horen van de verhalen. Verdrietig, want wat hebben de mensen geleden. Vier verschillende militaire groeperingen hebben er huisgehouden. Het Rwandese leger heeft jarenlang de meeste dorpen en steden bezet. Ze hebben zich meester gemaakt van bijna alles wat er te vinden was: auto’s, fietsen, voedsel maar bijvoorbeeld ook de metalen dakplaten van de huizen. Van sommige huizen zijn de kozijnen ingepikt als brandhout. De mensen werden verplicht om voor de soldaten te werken en hun van voedsel te voorzien.
Naast het Rwandese leger trokken de Congolese rebellen op. Deze traden vaak bruter tegen de mensen op dan de vreemdelingen. Het regeringsleger, dat de bevolking van de indringers moest bevrijden, was vaak een ongeordende troep, dat plunderend en verkrachtend rondtrok. Daarnaast is er nog de Mayi-mayi, in naam een volksbeweging die de vijand wil verdrijven, omdat het officiële leger het erbij laat zitten. In werkelijkheid zijn de Mayi-mayi vaak niet meer dan rovers, die in het machtsvacuüm de ene na de andere wreedheid begaan. Vier groeperingen die zich als bevrijder zien, vier plagen voor de bevolking.
Verlegen
Op de vraag wat DVN en Spakenburg voor de broeders kunnen doen, komen veel antwoorden. De nood is groot, dus de verzoeken ook. “Bouw scholen,” zegt de één, “onze kinderen zijn anders een verloren generatie”. “Begin landbouwprojecten, dan kunnen we er zelf weer bovenop komen”. “Klinieken hebben we nodig”. Maar er is ook geestelijke nood. Er zijn nauwelijks bijbels, laat staan liedbundels. Belangrijker is nog, dat in hun vijftienjarig bestaan in de meeste kerken nog nooit de sacramenten zijn bediend. “De mensen lopen weg. Ze zeggen: wat is dat nou voor kerk, waar niet eens wordt gedoopt of avondmaal gevierd”.
Als je de nood ziet, weet je niet wat je moet zeggen. Veel beloven kan ik niet. Ik ken de beperkingen. We zijn maar een kleine organisatie, op een grote afstand en het transport is moeilijk en duur.
Verwonderd
Toch, door alle ellende heen, vang ik ook een glimp op van Gods werk. Deze mensen, die door iedereen waren verlaten, bleven doorgaan met geloven, met bidden, met kerkdiensten houden, met leven voor God. Ergens in de brousse stoppen we in een klein dorpje. Student Pierre wijst me een eenvoudig kerkje aan. “Vijf jaar geleden was hier niets” zegt hij. “Dus toen we hierheen vluchtten, hebben we niet alleen akkers beplant, maar ook een kerkje gebouwd. We moesten toch blijven bidden? De inwoners van het dorp kwamen ook naar de diensten. Toen wij weer naar huis konden, was er een gemeente ontstaan!”.

 

Uit: Tot aan de einden der aarde Februari 2005

 

    colofon

Samen leven  in Gods wereld